Annemie
Ik schrok van zijn stem. Het was zo… mannelijk geworden. Zelfzeker, vlot, spontaan. Maar vooral ouder. Nogal wiedes, ik hoorde hem laatst vijf jaar geleden. Zijn rekeningafschrift was teruggekomen en ik belde hem om zijn nieuwe adres. Hij klonk verrast me te horen, wist niet dat hij nog een rekening bij ons had.
Ik herinner me nog, het lijkt als gisteren, toen hij amper boven mijn bureau uitstak. Trots met rechte rug smakte hij een grote plastiek zak vol met centjes voor mijn neus. “Kun je dat op mijn rekening zetten alstublieft” hakkelde hij. Vlug keek hij om naar zijn vader of hij het goed had gezegd. Die knikte instemmend terug en smeet me een knipoog toe. “Tuurlijk jongeheer,” had ik geantwoord en terwijl de muntjes door de telmachine vlogen, keek hij smullend toe. “Waaaw,” zei hij vol bewondering.
En nu gaf ik instructies hoe hij zijn rekening kan opzeggen. Hij was verhuisd en had nu een nieuwe bank. “Alhoewel het niet hoeft, ben je altijd welkom om je handtekening zelf te komen zetten.” Ik smeekte het bijna. Hij bedankte vriendelijk, ging zijn moeder sturen. En toen was alles gezegd. Ik zou hem nooit meer horen, nooit meer zien. “Nog veel succes, verder…” Een ongemakkelijke stilte viel. Onze afscheidswoorden kwamen tegelijk, stootten onhandig tegen elkaar. Een klik beĆ«indigde het gesprek.
Ik blijf achter in mijn geluiddichte bokaal. Het deken van stilte valt terug over me. Een auto rijdt ruisloos voorbij. Het tikken van de klok hoor ik niet.