Stille romantiek
We stonden uitgeregend in een glazen schuilhokje op het perron. Hij had blondbruin krullend haar tot aan de schouders, zachtglooiende lippen, porseleinen neus, koningsblauwe ogen, en een uitgesproken gezichtsvorm met korte bakkebaarden. Af en toe kruisten onze blikken, bleven ze even hangen, tot ze weer onschuldig naar buiten keken, naar voorbijrijdende treinen, of mensen op het overliggende perron.
De trein stopte, ik stapte op. De wagon was zo goed als leeg. Ik zette me neer. De jongen, die me gevolgd was, keek even rond naar de overvloed van lege plaatsen,… en zette zich op de zetel rechtover mij. Hij ontdeed zich van zijn jas en trui, en zijn gebruinde glooiende armen kwamen zichtbaar. Zijn haar was zwaar door het opgezogen water, en af en toe viel een druppel op zijn witte t-shirt. Het riep een gevoel van tederheid en zachtheid bij me op.
Daar zaten we dan, elkaar met de ogen aftastend. De hele rit werd er niets gezegd, niet door hem, niet door mij. Enkel onze ogen spraken, en schreeuwden zoete woorden naar elkaar. We kwamen aan in Mechelen. Ik knikte, hij knikte terug. Ik stond op, hij bleef zitten. Toen de deuren openden keken we nog even naar elkaar, en toen scheidden onverbiddelijk onze wegen.