Aardbeientaartje
De slagroom was ingezakt: geglazuurde aardbeitjes sopten in vaalbeige prut dat eerder een aardig opgeklopt helder wit kroontje vormde. Het leek wel snot op een schaaltje. Het koekje was zacht geworden, doorweekt door de geschifte room, slijmerig door gesmolten suikerglazuur. Mijn lepel ging erdoorheen als door boter. Geen krakje, geen wegspringend kruimeltje.
Een klodder schoof van het kartonnetje en spatte open op de vuile aarde onder het bankje. De blinkende brij werd onmiddellijk door tientallen kruipbeesten overmeesterd die zich snel, ploeterend met plakkende pootjes, alweer uit de voeten probeerden te maken.
Ik schopte de gevallen klodder in het water en at de rest van de smurrie op. Vuile beesten. Blijf van mijn aardbeientaartje.